De pont
Weerzien
Een handreiking, een oud gebaar om flarden stilte,
om haar haren die hij soms beroert, zijn wang
haar zijde toegewend, zo nader zien zij
niet vooruit of weten, teder is het woord en in zichzelf gekeerd.
Het bereik in graad van hoogte, diepte peilbaar ver
zoals het westen van het oosten in scharlaken rood
het weten van wat uiterst zeldzaam komt en gaat,
beweegt zij het gebaar, de letters tot een zielsgenoot.
Walking satellites

Een kinderboek, Voordat jij er was (2009), Rickie Lee Jones en het geheugen van een 10-jarige zijn deze morgen spelenderwijs in mijn gedachten. Je verlangt een liedje, zoals je wilde slapen na een verhaaltje.
Verder in Walking satellites, in Daarnaast..
IJsbloemen
-of: hoe een gedicht mij vond-
Onder hoge druk een winterketel, buiten, binnen
vroor zij dat het kraakte, brak zij
op het trilalarm dat af ging in haar maag
de hoorn vernam en spreken ging
in ijs, dat zijn gedachten die als sterren vaststaan
onder warme adem, dan eerst ziet je de kristallen
dan eerst smelten zij en is het glas een venster
of een spiegel, daar ben ik, ben jij als
ook de lente liet mij sneeuw zien en de zomer
een gesloten deur, oogst als van bezaaide velden
zag ik liggen en de woorden warm en kaal.
In de winter ligt een liefde, in de koude warme handen
in het donker van de twijfel, wat ik noem verlangen
breek ik uit en baar een antwoord op de vraag in mij.
Naar aanleiding van De habitat, door Uvi.
Tussentijd
Bruidssluier in zijn tweede bloei, een woekerdracht
op boom en schutting die de herfst van zomer scheidt
een langpoot hangt te rusten aan een warme pot
het water staat, uit buien naar de rand gebracht.
Het wit en groen om purper van de kersenpruim
wacht daar tot een gerooide zomerstam en
tooi van blad wegglijden uit de tijd
slechts blauw van ogen kijkt een lege lucht
van koude om een zon die verder trekt
zijn baan verlegt naar zuiderburen, binnenmuren
van een leven dat zijn vrucht te rusten legt.
De zomer is hij, uit herinnering van kou getreden
als een woord, een boog met kleuren
als een geur, zo onverklaarbaar zacht raak ik zijn ogen
huid en haar de draden van mijn winterkleed.
Droomtaal
Zij droomt en gaat de mist in van het
weten, kind dat uitvergroot en onbekommerd
van de voet belicht de lippen voelt
immense ogen op het hoofd
een Appel is die taal, gestalten van een
omvang en reliëf die het meteen herkent
als zij de zaal betreedt waar dromen staan
te doek gegrift als jonge tijd
mismaakt de streling in haar vingertoppen
handen als verstilde monsters op het laken
hel de klank van dagen in te kleine oren
stil het zweven en het sluiten van een poort
dicht de ogen wek het wiegeslapen
oren die zich krullen om de moederstem
draag het braakland aan van nieuwe dagen
zing haar veilig terug de ochtend in.
De grote trek
eens wordt de oogst, eerst nu
het hoge gras, ontklede bloem, gesmolten boter
elders opgetast waar hoge benen, ooievaars
klepperend hun liefde staven, buigen, dragen zij
voor zolang het nest hen houdt, de warmte
aan, dienen zij de grote trek
gisteren nog zag ik daar, het meterhoge veldboeket
tot aan je heup, als jij dook kwam ik op
klaar om het beeld te vangen in de loop
de lente zag ik buiten deze stad, de randen
van ons leven rafelen, als tijd
verblijft in dozen, tot ook wij zijn uitgepakt.
Zomersneeuw
De randen van de stad zijn wit
van zachte, uitgebloeide vlokken, mensen-
zwermen van gewicht en onbestemde ogen
De witte wind herinnert dat de winter
die je koud geproefd, nog roerloos gadeslaat
je droomt een wuivend handgebaar
als in een spiegel van gesloten deuren
eindeloos vertrekken, in de knop
een liefde die zich vinden laat
Een halte is de tijd, waar je seizoenen past
je winterliefde in een zomerjas, stiller dan
de vlokken, waterlelies op een blad.
Ons huis
de wolken staan op openbarsten
nog is het binnen veilig en warm
alleen lig je, voor onbeschutte ramen vallen
druppels en jouw naam, zo stil het alfabet en luid de taal
daar drogen kleren die je draagt, zes lagen
leg je langzaam neer, al zachter nu
je oren open, dan gesloten
in de storm die niets vervaagt
verdragen doe je niets om eigen waarde
puur en zuiver is de lucht, ons huis
je leeft en tast de tijd, steeds vaker
Twee
De schreeuw verlaat mijn oren, landt
dan zachtjes op mijn huid, waait
een golfje door mijn haren, vlak
voordat ik mijn lippen sluit
en naar je tast, ik zie
je lach, je dans van opgeheven handen
klappen naar het sopje voor je neus
‘ook keer, ook keer!’ vraagt ontelbaar vele
bellen, jij met steeds meer woorden
ik met verzen
