Maandelijks archief: november 2010

Tussentijd

Bruidssluier in zijn tweede bloei, een woekerdracht
op boom en schutting die de herfst van zomer scheidt
een langpoot hangt te rusten aan een warme pot
het water staat, uit buien naar de rand gebracht.

Het wit en groen om purper van de kersenpruim
wacht daar tot een gerooide zomerstam en
tooi van blad wegglijden uit de tijd
slechts blauw van ogen kijkt een lege lucht

van koude om een zon die verder trekt
zijn baan verlegt naar zuiderburen, binnenmuren
van een leven dat zijn vrucht te rusten legt.

De zomer is hij, uit herinnering van kou getreden
als een woord, een boog met kleuren
als een geur, zo onverklaarbaar zacht raak ik zijn ogen
huid en haar de draden van mijn winterkleed.


Droomtaal

Femme et Enfant, Karel AppelZij droomt en gaat de mist in van het
weten, kind dat uitvergroot en onbekommerd
van de voet belicht de lippen voelt
immense ogen op het hoofd

een Appel is die taal, gestalten van een
omvang en reliëf die het meteen herkent
als zij de zaal betreedt waar dromen staan
te doek gegrift als jonge tijd

mismaakt de streling in haar vingertoppen
handen als verstilde monsters op het laken
hel de klank van dagen in te kleine oren
stil het zweven en het sluiten van een poort

dicht de ogen wek het wiegeslapen
oren die zich krullen om de moederstem
draag het braakland aan van nieuwe dagen
zing haar veilig terug de ochtend in.


De grote trek

eens wordt de oogst, eerst nu
het hoge gras, ontklede bloem, gesmolten boter
elders opgetast waar hoge benen, ooievaars

klepperend hun liefde staven, buigen, dragen zij
voor zolang het nest hen houdt, de warmte
aan, dienen zij de grote trek

gisteren nog zag ik daar, het meterhoge veldboeket
tot aan je heup, als jij dook kwam ik op
klaar om het beeld te vangen in de loop

de lente zag ik buiten deze stad, de randen
van ons leven rafelen, als tijd
verblijft in dozen, tot ook wij zijn uitgepakt.


Roger

Over en uit, love
een ontkroonde aardbei valt
de slagroom verzuurt.


Neiging

De bruidssluier draagt
de loten met ranke arm
op aan de hemel.


Zomersneeuw

De randen van de stad zijn wit
van zachte, uitgebloeide vlokken, mensen-
zwermen van gewicht en onbestemde ogen

De witte wind herinnert dat de winter
die je koud geproefd, nog roerloos gadeslaat
je droomt een wuivend handgebaar

als in een spiegel van gesloten deuren
eindeloos vertrekken, in de knop
een liefde die zich vinden laat

Een halte is de tijd, waar je seizoenen past
je winterliefde in een zomerjas, stiller dan
de vlokken, waterlelies op een blad.


Ons huis

http://www.nothingpersonalthemovie.com/de wolken staan op openbarsten
nog is het binnen veilig en warm
alleen lig je, voor onbeschutte ramen vallen
druppels en jouw naam, zo stil het alfabet en luid de taal

daar drogen kleren die je draagt, zes lagen
leg je langzaam neer, al zachter nu
je oren open, dan gesloten
in de storm die niets vervaagt

verdragen doe je niets om eigen waarde
puur en zuiver is de lucht, ons huis
je leeft en tast de tijd, steeds vaker


Twee

De schreeuw verlaat mijn oren, landt
dan zachtjes op mijn huid, waait
een golfje door mijn haren, vlak
voordat ik mijn lippen sluit

en naar je tast, ik zie
je lach, je dans van opgeheven handen
klappen naar het sopje voor je neus

‘ook keer, ook keer!’ vraagt ontelbaar vele
bellen, jij met steeds meer woorden
ik met verzen


Blijf

Laat de zon niet ondergaan, de bloemen sluiten
de hoge twijgen buigen voor de maan
het zwijgen van de merels groen oplichten
in de schijn van blauw, zo rusteloos vertrouwd

en blijf
zoals de muggen slapen, dromen
spreken, handen waken, zachter nog zoek ik te zijn
en dichter dan het houden dat wij kennen
stiller dan het spreken van de lach
sneller dan het reiken van verlangen
luister ik, en blijf


Avond

Elke avond om half zeven, scheert door de schemer
een zwerm spreeuwen, ijlend als de nevel
vloeibaar, vlak voordat hij opengaat

in het kader van het kamerraam
heb ik je silhouet voor ogen, mijn schaduw
naast je staan, verstoten

om de woorden die als druppels worden opgediend
een dorst en niet te lessen
neiging die het aanzien van de avond overstroomt

De teugels glijden in de handen van de nacht
een stiller schuren, zacht waar de gedroomde schemer
opgaat in het smeken van een nieuwe dag


Braak II

Heb met een geest van zachtheid in de tuin
een strijdbijl opgegraven, dode wortels weggedragen
wilde kracht gevierd op botte lagen van onvruchtbaarheid

Schone aarde, stil en zacht je geur
ondergronds de weelde teer en
leeg de teruggesnoeide loten

Mijn handen zijn in rouw, ik streel de grond
de woorden die ik plantte en je lijf
waarin ik aarden kon en zwerven mocht


Braak I

Gedolven is het witte goud, het zwarte veld
met ondergrondse weelde is gestoken en
verdeeld, de oogst is over

Op het land rusten de cocons levensgroot
de opgerolde matten die de weelde warmden
als walrussen, zo sterk en hulpeloos

Het land ligt braak
de loot hij sterft zijn vroege dood, de wortel
groeit tot zeven keer, eerst volgend jaar